Column – Het lef hebben een zondaar te zijn

In de column van collega Jean Jacques Suurmond in dagblad Trouw van dinsdag 25 april kwam ik een verrassend citaat van Maarten Luther (1483 – 1546) tegen. Aan zijn altijd wat wankelmoedige vriend Melanchton schreef hij ooit : ‘Heb het lef om een zondaar te zijn’. Dat was geen aansporing om eens flink de beest uit te hangen, maar om de moed te hebben eigen fouten onder ogen te zien en toe te geven. Wie dat  doet, levert zich uit aan de welwillendheid van anderen. Dat is één van de redenen waarom het zo moeilijk is, want van die welwillendheid ben je van te voren nooit zeker. Luther heeft dan ook een hele weg afgelegd voor hij dit schrijven kon.

 

Al was Luther de initiator van de kerkhervorming en stond hij mee aan de basis van het moderne Europa, hij was ook voluit een Middeleeuwer die de angsten en onzekerheden van zijn tijdgenoten deelde. In Luthers dagen was het leven kort en van alle kanten bedreigd. Geregeld waren er pestepidemieën, in het Zuid – Oosten rukten de Turken op, en intern werd Europa verscheurd door oorlogen en conflicten. De dood loerde overal. Velen werden niet ouder dan 30 of 40 en de kindersterfte was hoog. Na de dood, zo predikte de kerk, wachtte het vagevuur, een onaangename plek waar je al naar gelang de ernst van je in het leven begane misstappen kortere of langere tijd moest doorbrengen om die zonden te boeten aleer je misschien uiteindelijk de eeuwige gelukzaligheid zou mogen betreden. Als mens van zijn tijd leefde ook Luther met dit dreigend perspectief. Dus deed hij zijn uiterste best zo goed mogelijk te leven. In de hoop dat God hem dan goed genoeg zou vinden en na zijn dood zou vrijspreken. Maar wat hij ook probeerde, de onzekerheid bleef knagen: was het echt wel goed genoeg? Je hoeft niet in vagevuur of hel, en zelfs niet in God te geloven, om daar toch wat van te herkennen. Zo kun je zelf de lat zo hoog leggen dat je altijd tekort schiet. Dertigers van nu blijken van mijn generatie die hen heeft opgevoed vaak het beeld te hebben meegekregen dat, als ze willen, alles mogelijk is. De praktijk is natuurlijk anders. Geen wonder dat ze nog al eens het  gevoel hebben gefaald te hebben. Met zulke torenhoge verwachtingen kun je niet anders dan je zelf tegenvallen. Dat is een verhaal waarin God niet voorkomt. Toch lijken de problemen waar zij tegenaan lopen als twee druppels water op het probleem van Luther. Je doet het nooit goed genoeg. Tegelijk probeer je naar buiten op LinkedIn en Facebook de schijn ophouden dat je het heel goed doet. Daar word je niet gelukkig van. Ook Luther werd van dat streven naar perfectie doodongelukkig.

Het was door de bestudering van de brief van Paulus aan de Romeinen dat Luther uit deze impasse kwam. In Romeinen 1 : 17 schrijft Paulus: ‘Het evangelie van Christus is een kracht van God tot behoud, want daarin treedt zijn gerechtigheid aan het licht; wie daarop zijn vertrouwen stelt, kan het leven aan’. Woorden waarop hij al vele malen zijn tanden had stukgebeten. ‘Gerechtigheid’ interpreteerde hij namelijk vanuit zijn eigen Middeleeuwse taal – en gedachtewereld zo, dat God ieder het zijne geeft en daarbij geen enkel tekort door de vingers ziet. Hij haatte daarom dit woord van Paulus en begreep niet hoe Gods straffende gerechtigheid ooit bron van leven en vreugde kon zijn. Dankzij grondige studie van het Hebreeuws ontdekte hij dat ‘gerechtigheid’ in de Bijbel heel wat anders betekent. Het heeft niet met veroordelen maar met bevrijden te maken. Mens worden doe je met vallen en opstaan. Dat je daarbij fouten maakt leidt er  niet toe dat God zijn neus voor ons ophaalt. Integendeel: in zijn gerechtigheid schenkt hij ons het vertrouwen een nieuw begin te maken. Geloven is niet het aannemen van een aantal al dan niet bovennatuurlijke waarheden, het is leven vanuit dit vertrouwen. Je krijgt dan het lef wat fout ging fout noemen zonder daarbij jezelf en anderen af te schrijven. Met de woorden van Luther : Je krijgt het lef een zondaar te zijn. En hij voegde eraan toe: ‘maar vooral ook om vrolijk te zijn in Christus’. Je zou ook kunnen zeggen: je krijgt de kans een Paasmens te zijn. Je fouten onder ogen te zien is dan de eerste opstap naar een nieuw begin.. Ds. Adri Terlouw

Column – Passie

Half april is het Pasen met daaraan voorafgaande de Stille Week. De kerk overdenkt dan het lijden en sterven van Jezus. Ook wie niet naar een kerk gaat, zal dat nauwelijks kunnen ontgaan. In die zelfde week zal Leeuwarden op donderdag 13 april het decor van de Passion zijn. Daarvoor zal op tal van plekken in het land de Passionsmuziek van Bach te horen zijn. Zowel zijn Mattheüs – als zijn Johannespassion. Dat het verhaal van Jezus’ kruisiging nog altijd zo’n centrale plek heeft in onze cultuur is verbazingwekkend. Want hoe vaak het ook bezongen wordt, het blijft een verbijsterend verhaal.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de oudste afbeelding van Jezus aan het kruis een spotprent is. Het is een stuk graffiti uit de eerste helft van de derde eeuw, het zogenaamde spotcrucifix van de Palatijn, één van de zeven heuvels van Rome. Het is een onbeholpen tekeningetje, gekrast in het steen van een school waar pages werden opgeleid voor het keizerlijk paleis in Rome. We zien een mannetje dat met opgeheven handen bij een gekruisigde figuur met een ezelskop staat, compleet met ezelsoren. Daaronder staat: ‘Alexamenos aanbidt zijn God’.  Het maakt duidelijk hoe de doorsnee Griek of Romein tegen het vroege christendom aankeek: een godsdienst afkomstig van armen, van Joden, van slaven en vrouwen die iemand vereren die de meest oneervolle dood is gestorven die maar denkbaar is en die daar nog trots op zijn ook. Wie de zaken zo op hun kop zetten, zijn niet beter dan ezels. Die verbazing is van alle tijden. Zo wees de Duitse filosoof en vriend van Richard Wagner Friedrich Nietzsche (1844 – 1900)  er graag op dat het christendom gebaseerd is op een mislukking. Immers het koninkrijk van God dat hij aankondigde is niet aangebroken en hij zelf schoot het leven erbij in. Maar voor het Nieuwe Testament is juist dit verhaal van Jezus kruisiging hoogste wijsheid. Het kruis van Jezus spoort ons aan de werkelijkheid vol in het gezicht zien, ook als die pijn doet. Pas dan kun je zien waar het op aan komt. Hoe dan, dat vertelt bijvoorbeeld de Amerikaanse journaliste en sociale activiste Dorothy Day (1897 – 1980). Ergens is de jaren dertig van de vorige eeuw komt ze in de bus tegenover een zwarte zwerver te zitten. Opeens, schrijft ze later, worden haar de ogen geopend en ziet ze waar ze tot dan toe blind voor was: de samenleving die armen creëert, haar eigen afkeer van de man en zijn volhouden, ondanks alles. Ze huilt, omdat ze het allemaal tegelijk ziet: de zonde van de wereld, haar eigen zonde en de hoop op verlossing. Die toevallige ontmoeting zet haar leven op een ander spoor en ze ontwikkelt zich tot een gedreven, sociaal voelende persoonlijkheid, die tijdens de Grote Depressie van de jaren 1930 gaarkeukens en nachtverblijven voor werklozen en daklozen opricht. Later krijgt ze de bijnaam van Moeder Theresa van New York. In ons deel van de wereld kun je de confrontatie met eigen en andermans kwetsbaarheid lang uit de weg gaan. Maar vroeg of laat raken wij allemaal gewond en beschadigd. Je daar voor openstellen kan een milder, meevoelender en barmhartiger mens van je maken.

Toch blijft het een verbijsterende boodschap. Een gekruisigd en doodgemarteld lichaam als bron van heling. Wennen doet dat nooit. En dat moet ook zo blijven. Een dwaasheid, zoals de apostel Paulus het ergens noemt. Alleen zo, als dwaasheid, kan het een toegang tot verlossing zijn. Confrontatie met lijden blijkt meer te doen dan alle betekenis wegvagen – dat doet het ook – het kan ook de bron worden van verlangen naar gerechtigheid en van mededogen. Het is die omkering die zich oog in oog met het lijdensverhaal van Jezus nog altijd aan ons voltrekken wil. Ds. Adri Terlouw